Een analyse vanuit het perspectief van Michel Henry
Pas geleden werd ik gegrepen door de documentaire Buy Now! The Shopping Conspiracy. Deze Britse documentaire uit 2024, geregisseerd door Nic Stacey en geproduceerd door Flora Bagenal, werd op 20 november 2024 uitgebracht op Netflix. De film onderzoekt thema's als consumentisme en overproductie.¹ De documentaire laat zien hoe bedrijven voortdurend proberen consumenten tot aankopen te verleiden, zelfs wanneer dat ten koste gaat van het milieu. En die verleiding werkt. We consumeren enorme hoeveelheden goederen, met als gevolg een gigantische hoeveelheid afval. Een deel daarvan kan niet worden verwerkt en belandt uiteindelijk in de natuur. Tegelijkertijd wordt op grote schaal een beroep gedaan op grondstoffen, waardoor de natuur wordt uitgeput.
Om de vervuiling tegen te gaan, worden vaak plannen gemaakt om afvalstromen beter te beheren. Maar in mijn ogen is dat niet meer dan symptoombestrijding. Als we werkelijk iets willen doen aan milieuvervuiling, zal de consumptie zelf omlaag moeten. De vraag is dan waarom zoveel mensen, vaak zonder zich daarvan bewust te zijn, vastzitten in een cyclus van overconsumptie. En waarom lijken we daar zo achteloos mee om te gaan?
Ik wil deze vraag onderzoeken aan de hand van filosofische concepten die de Franse filosoof Michel Henry heeft ontwikkeld. Michel Henry (1922-2002) staat bekend om zijn radicale fenomenologie van het immanente, affectieve leven. Zijn filosofie benadrukt de persoonlijke sfeer en de onmiddellijke ervaring van het leven. Vaak proberen we problemen op te lossen door middel van systemen, wetten en regels. Maar misschien is er voor een werkelijke verandering iets anders nodig: een persoonlijke transformatie, een omkering van onze manier van leven.
Consumeren tegenover leven
Het woord consumeren komt van het Latijnse consumere, dat 'verbruiken', 'opmaken' of 'vernietigen' betekent. Het werkwoord is samengesteld uit con- (een intensiverend voorvoegsel) en sumere ('nemen' of 'tot zich nemen').² Het begrip consumeren heeft zich ontwikkeld tot een woord dat zowel het nuttigen van voedsel als het gebruik of verbruik van goederen en diensten aanduidt.
Natuurlijk zal een mens altijd consumeren. In dit essay gaat het echter om overmatig consumeren: het kopen en gebruiken van dingen die we niet werkelijk nodig hebben. Daarbij moeten we oppassen de ander een norm voor te schrijven. Toch kan ieder mens zichzelf afvragen: heb ik dit werkelijk nodig?
Neem bijvoorbeeld de elektrische fiets. In korte tijd lijkt het voor veel mensen bijna vanzelfsprekend geworden dat je er een moet hebben. Tegelijkertijd vraagt de productie van batterijen om grondstoffen die weer nieuwe milieuproblemen met zich meebrengen. Dan kun je je afvragen of een gewone fiets soms niet een veel eenvoudiger alternatief is.
Maar wat is eigenlijk het tegenovergestelde van consumeren?
In economische context wordt consumptie vaak tegenover productie geplaatst. Productie en consumptie vormen echter geen echte tegenpolen; ze zijn juist van elkaar afhankelijk. Ik wil daarom een ander onderscheid maken: ik wil consumeren tegenover leven plaatsen.
Als consumeren in extreme zin staat voor verbruiken en uiteindelijk vernietigen, dan staat leven voor... ja, voor wat eigenlijk?
Voor Michel Henry is leven geen object dat van buitenaf kan worden gedefinieerd. Het is geen abstract gegeven dat we kunnen meten, reguleren of in systemen kunnen vangen. Leven is een onmiddellijke, affectieve ervaring: iets wat zich van binnenuit aan ons geeft als lijden en vreugde, verlangen en voldoening. Leven is in die zin radicale immanentie: het is wat zich voelt, voordat het wordt gedacht of geobjectiveerd.
**Leven is Zijn.**³
In het licht van Henry's denken wordt duidelijk waarom overconsumptie problematisch kan zijn. Niet alleen vanwege de ecologische schade die zij veroorzaakt, maar ook omdat zij kan getuigen van een vervreemding van het leven zelf.
In plaats van te leven vanuit de intensiteit van onze innerlijke ervaring, richten we ons steeds meer op uiterlijke objecten: op wat zichtbaar en beschikbaar is, op wat gekocht, bezeten en verbruikt kan worden. Overconsumptie is daarmee niet alleen een ecologische of economische kwestie, maar ook een existentiële.
We zouden kunnen spreken van een vergeten van het leven zoals het zich werkelijk aan ons voordoet: als iets kwetsbaars, voelbaars en onherleidbaars. Consumeren kan dan worden gezien als een vorm van anti-leven, een schijnleven. Niet omdat iedere consument dat zo ervaart, maar omdat het consumeren zelf een plaats kan innemen die eigenlijk aan het leven toekomt.
Overconsumptie lijkt dan een levensessentie te zijn geworden. Het leven dat niet meer rechtstreeks wordt geleefd, wordt vervangen door een imitatie ervan in dingen, bezit en zichtbaarheid. Het ware leven, zoals Henry het begrijpt, is onzichtbaar en niet objectiveerbaar. Het is intens voelbaar. Precies dat dreigt te worden overgeslagen in een cultuur die het hebben boven het zijn stelt.
Op de vlucht voor het innerlijke leven
Waarom heeft consumeren eigenlijk zo'n sterke aantrekkingskracht op de mens? Er bestaat zelfs een begrip als 'koopverslaving'. Als we nagaan waarom mensen verslaafd kunnen raken aan het kopen van producten, wordt vaak gewezen op de rol van dopamine in het beloningssysteem van de hersenen. De afkickkliniekwijzer schrijft bijvoorbeeld:
*De drang om steeds maar weer spullen te kopen, wordt veroorzaakt door de aanmaak van dopamine in onze hersenen. [...] Een aankoop doen zorgt voor extra productie van deze stof. Het gaat een koopverslaafde niet zozeer om de spullen die gekocht worden, maar om het gevoel wat het 'shot' dopamine veroorzaakt.*⁴
Hier wordt psychisch gedrag vooral vanuit lichamelijke processen verklaard. Vanuit het perspectief van Henry kun je daar een andere vraag tegenover stellen: wat als het lichamelijke proces niet de uiteindelijke verklaring is, maar slechts een verschijningsvorm van iets wat dieper ligt?
Waarom zijn we eigenlijk zo gevoelig voor de wereld van objecten, representaties en prikkels?
Michel Henry probeert te laten zien hoe de moderne mens vervreemd kan raken van het immanente, affectieve Leven. Zijn analyse richt zich daarbij op verschillende aspecten van de moderne cultuur die ons van die innerlijke ervaring kunnen verwijderen.
In zijn boek La barbarie wordt vooral duidelijk wat het leven volgens Henry niet is. Het leven wordt hier negatief beschreven in termen van onverschilligheid, apathie, haast en 'kijken zonder te zien'. We zijn slaven van de markt en gedachteloze barbaren geworden. Keren we deze termen om, dan verschijnt een beeld van leven als ervaring, als geraakt kunnen worden, als aandacht om werkelijk te kijken en te zien, en als openheid voor het wonder dat er überhaupt zoiets als ervaring bestaat. En juist dit wonder fascineerde Henry.⁵
In Griekenland en Rome was een barbaar iemand die de taal van de ander niet sprak, omdat hij een vreemdeling was en van een andere stam afkomstig was. In zekere zin zou je kunnen zeggen dat Michel Henry de moderne mens tot een barbaar voor zichzelf maakt. We zijn vreemdeling geworden voor ons eigen immanente en affectieve leven.
Volgens Henry bestaan er twee vormen van kennis. Wetenschappelijke kennis is objectieve kennis: kennis van iets, van een object. Kennis van het leven is iets anders.⁶
Kennis van het leven gaat niet over iets buiten het leven zelf. Het is kennis die het leven van zichzelf heeft, doordat het leven aan zichzelf verschijnt in de ervaring. Er is dus niet eerst een mens waarvan we vervolgens kunnen zeggen dat hij of zij leeft. Het leven is het verschijnen van leven aan zichzelf. Het leven is zelfopenbaring.
Dit vormt een kernpunt van Henry's filosofie en van zijn kritiek op de moderniteit, waarin voortdurend geprobeerd wordt het leven te objectiveren en te beheersen.
Een voorbeeld daarvan is de manier waarop psychische problemen tegenwoordig vaak primair in medische of biologische termen worden besproken. In Nederland gebruiken miljoenen mensen antidepressiva; dat gegeven op zichzelf zegt echter nog niets over de oorzaken van hun psychisch lijden. Vanuit Henry's perspectief zou je kunnen vragen of psychisch lijden niet óók iets onthult over de manier waarop iemand leeft en zich tot zichzelf verhoudt.
Niet: wat is er mis met mijn hersenen? maar ook: wat probeert mijn leven mij te vertellen?
Verveling en afleiding
Hoe komt het volgens Henry dat de mens zo vervreemd is geraakt van het leven en gevangen lijkt te zitten in een schijnleven?
Je zou je bijna kunnen verschuilen achter het argument dat we nu eenmaal zijn geworpen in een kapitalistische en technologische samenleving en voortdurend worden verleid om te kopen. Maar volgens Henry ligt er een diepere laag onder. Waarom verdringen we het affectieve leven? Welke drempel bestaat er om ons te richten op het niet-zichtbare, op dat wat zich binnen in ons afspeelt?
Geef mensen de opdracht om tien minuten stil te zitten en velen zullen onrustig worden. We zoeken snel afleiding van onszelf en de mobiele telefoon is daarvoor een enorme uitkomst.
In Barbarisme is verveling een van de graadmeters die aangeven dat de huidige cultuur het Leven vergeten is. Verveling is de ervaring van opgekropte, ongebruikte energie: 'Verveling is de affectieve toestand waarin ongebruikte energie zich aan zichzelf openbaart.' Televisie is voor Henry het archetype van een instrument van verveling: een rusteloze opeenvolging van contextloze en betekenisloze beelden, als opium voor de verveelde mens die voortdurend op zoek is naar nieuwe prikkelingen.⁷
Maar waarom is de mens eigenlijk op de vlucht voor zichzelf?
Michel Henry geeft daar geen duidelijke psychologische verklaring voor. Mogelijke verklaringen zijn wel te vinden binnen de psychotherapie. Irvin Yalom beschrijft in zijn boek Existential Psychotherapy vier fundamentele thema's die een belangrijke bron van menselijke angst kunnen vormen: de dood, vrijheid, existentiële isolatie en zinloosheid.⁸
We zeggen het misschien niet vaak zo, maar diep vanbinnen weten veel mensen dat ze zichzelf soms ontwijken. We zoeken afleiding, vullen onze dagen met drukte, consumeren. We willen steeds iets nieuws, iets beters. Alsof we ergens aan proberen te ontsnappen.
En misschien is dat precies wat we doen: we proberen te vluchten voor onszelf.
Maar waarom eigenlijk?
Leven is niet iets dat zich op afstand afspeelt, zoals een film die we kunnen pauzeren of uitzetten. Leven is altijd aanwezig, van binnenuit. We zijn voortdurend in contact met onze gevoelens: vreugde, verbinding, maar ook pijn, eenzaamheid, verdriet en schaamte.
Sommige van die gevoelens zijn moeilijk te verdragen. Ze zijn te intens, te confronterend of te pijnlijk. Wanneer zo'n gevoel zich aandient, proberen we er instinctief van weg te gaan.
Maar daar begint het probleem.
We kunnen namelijk niet werkelijk weg van onszelf. We kunnen een gevoel tijdelijk onderdrukken en onze aandacht richten op iets buiten ons: werk, spullen, relaties, prestaties, entertainment. Maar de binnenwereld zwijgt niet. Ze klopt steeds opnieuw aan.
Wat we verdringen, verdwijnt niet zomaar. Het kan zich op andere manieren manifesteren. Uiteindelijk kan er een diffuse angst ontstaan. Niet noodzakelijk angst voor iets specifieks, zoals een gevaar of een gebeurtenis, maar een dieper soort angst: de angst die ontstaat wanneer we beseffen dat we geen afstand kunnen nemen van ons eigen bestaan.
Er is geen 'buiten' waar we naartoe kunnen.
En als het leven te zwaar wordt, als het ons overspoelt, is er geen plek waar we werkelijk naartoe kunnen vluchten. We proberen wel te vluchten, maar misschien verplaatsen we daarmee slechts de pijn. We verdoven haar, bedekken haar of vervangen haar door andere prikkels.
Angst kan dan worden opgevat als het gevoel van ons eigen zijn wanneer dat bestaan ondraaglijk dreigt te worden.⁹
Volgens Yalom is angst een belangrijke motor van psychopathologie en ontwikkelen mensen afweermechanismen om met deze angst om te gaan. Hoewel Yalom in het genoemde werk een existentiële benadering benadrukt, waarin de confrontatie met de vier existentiële 'gegevens' centraal staat, erkent hij ook het belang van vroege ervaringen en trauma's.
De onrust die ontstaat wanneer we stilzitten zonder afleiding zou dan gedeeltelijk verklaard kunnen worden door een onbewuste vrees voor het opnieuw ervaren van pijnlijke emoties wanneer de afleiding wegvalt.
Het boek De herontdekking van het ware zelf van Ingeborg Bosch, dat mij lang geleden bewust heeft gemaakt van blokkades van mijn innerlijke levensstroom, stelt dat de drempel om ons op ons innerlijke leven te richten voornamelijk bestaat uit onbewuste afweermechanismen. Deze mechanismen beschermen ons tegen pijnlijke ervaringen uit onze jeugd of trauma's. Tegelijkertijd kunnen ze ons verhinderen het heden onbelemmerd te ervaren en ons ware zelf – het Leven – te herontdekken.¹⁰
Een omkering
Misschien begint het doorbreken van de onbewuste overconsumptie daarom met een herontdekking van deze kennis van het leven.
Hoe kunnen we weer leren luisteren naar de signalen van ons eigen lichaam en onze affectieve ervaringen, in plaats van ons voortdurend te laten leiden door externe verleidingen en door behoeften die de maatschappij voor ons lijkt te creëren?
Misschien moeten we ons bewust worden van het verband tussen overconsumptie en de afleiding die we zoeken voor onze existentiële angsten en pijn.
Daarmee verandert ook de vraag. Het gaat niet langer alleen om: hoe kunnen we minder consumeren? De diepere vraag wordt: waarom heb ik eigenlijk zoveel afleiding nodig?
Het voorbeeld van psychische klachten laat zien hoe gemakkelijk we geneigd zijn symptomen te bestrijden zonder ons af te vragen wat eronder ligt. Dat betekent niet dat medische behandeling daarmee overbodig wordt. Wel kan er naast behandeling ruimte zijn voor de vraag wat het lijden ons over ons leven vertelt.
Het proces dat ik voor ogen heb, is daarom niet zozeer een reeks concrete stappen, maar eerder een voortdurende heroriëntatie van onze aandacht en beleving. Het vraagt om een hernieuwde gevoeligheid voor de innerlijke bewegingen van het Leven in onszelf en om een kritische houding tegenover de externe krachten die ons daarvan kunnen distantiëren.
Het is een praktijk van zelfgroei die draait om het erkennen en cultiveren van de affectieve basis van ons bestaan. Dit kan zich uiten in een verandering van prioriteiten, een bewuster omgaan met consumptie en technologie en een herwaardering van subjectieve ervaringen boven objecten.
Filosofie blijft vaak op een abstract niveau hangen, maar het denken over het Leven vraagt ook om een concrete wending. Hoe kunnen we het leven intenser, waarachtiger ervaren?
Deze vraag leidt niet noodzakelijk tot een reeks handelingen of prestaties. Het gaat eerder om een fundamentele verandering in onze houding tegenover onszelf en ons bestaan. Het is een beweging van het uiterlijke naar het innerlijke, een verschuiving in het zijn.
In deze omkering wordt het leven niet langer begrepen als iets wat wij moeten beheersen of optimaliseren, maar als iets wat zich al in ons voltrekt, in de diepte van onze subjectieve ervaring.
Deze ervaring kan toegankelijk worden in momenten van stilte, waarin de mens zich onthoudt van afleiding en zich opent voor de innerlijke gevoelsdimensie. Juist gevoelens van onrust, verdriet of leegte, die we vaak als obstakels beschouwen, kunnen dan worden herkend als ervaringen van het Leven zelf. Dat vraagt om de moed ze niet onmiddellijk te verdringen, maar ze te doorvoelen.
In plaats van het lijden onmiddellijk te willen verklaren, oplossen of uitbannen, ontstaat er ruimte voor een vorm van aanvaarding. Het ongemak wordt niet langer alleen gezien als iets wat weg moet, maar als iets wat tot het Leven behoort.
Kwetsbaarheid is dan geen gebrek, maar een wezenlijk kenmerk van het mens-zijn. Ook de afhankelijkheid van de mens hoeft niet te worden veroordeeld. Zij kan juist worden erkend als een voorwaarde voor het ontvangen van het Leven zelf.
Eenvoud en ontvankelijkheid
Eenvoud en matigheid kunnen hierin een ethische praktijk vormen. In plaats van steeds meer na te jagen – meer bezit, meer prestaties, meer status – kunnen we ons oefenen in tevredenheid. We kunnen een innerlijke ruimte cultiveren waarin het onmiddellijke bestaan voldoende is.
Zo kan het subject geleidelijk loskomen van de logica van overconsumptie en ontstaat er ruimte voor werkelijke aanwezigheid.
Het herwinnen van het contact met het Zelf is in deze context geen taak met een eindpunt, maar een voortdurende oefening in ontvankelijkheid. Het vraagt om geduld, om de bereidheid af te zien van afleiding en om het vermogen te zijn met wat zich aandient.
In deze houding kan zich de mogelijkheid van spirituele realisatie openen: het Leven dat wordt ervaren als een openbaring van een diepere oorsprong.
Voor denkers als Michel Henry is deze oorsprong geen abstract beginsel, maar een absolute innerlijke bron: het leven zelf, voor Henry Leven met een hoofdletter, dat zich in de subjectieve ervaring manifesteert.
In religieuze termen kan deze absolute bron God worden genoemd. Niet noodzakelijk als een entiteit buiten de mens, maar als de innerlijke grond van zijn bestaan. Deze God spreekt niet primair via de buitenwereld, maar in het hart: in het verborgene waar het Leven zichzelf toont en waar het Zelf wordt geraakt door wat het overstijgt.¹¹
Voor Michel Henry was het christendom geen instituut, maar een levensfilosofie van radicale innerlijkheid. Het Leven als lijden, als liefde en als gevoelde aanwezigheid is voor hem niet slechts menselijk; het verwijst naar God zelf die in ons leeft.
Geloven is voor Henry dan ook niet in de eerste plaats het aanhangen van een doctrine, maar het erkennen en toelaten van deze innerlijke, levende waarheid.
Voetnoten
1. Wikipedia. (z.d.). Buy Now! The Shopping Conspiracy. Wikipedia. Geraadpleegd op 2 april 2025, van https://en.wikipedia.org/wiki/Buy_Now!_The_Shopping_Conspiracy
2. Etymologiebank. (z.d.). Consumeren. https://etymologiebank.nl/trefwoord/consumeren
3. Henry, M. (2005). What is Meant by the Word "Life?" Philosophique (Montréal), 5, 133–150.
4. Apick Kliniekwijzer. (z.d.). Koopverslaving. https://www.apickkliniekwijzer.nl/koopverslaving/
5. Meijvis, R. (2020, 21 april). Het ware leven. De Groene Amsterdammer.
6. Meijvis, R. (2020, 21 april). Het ware leven. De Groene Amsterdammer.
7. Groenendijk, A. (z.j.). Het duister helder als licht: Een Henriaans perspectief op depressie. Erasmus Universiteit Rotterdam.
8. Yalom, I. D. (1980). Existential Psychotherapy. Basic Books.
9. Groenendijk, A. (z.j.). Het duister helder als licht: Een Henriaans perspectief op depressie. Erasmus Universiteit Rotterdam.
10. Bosch, I. (2000). De herontdekking van het ware zelf: Een zoektocht naar emotionele harmonie. Uitgeverij L.J. Veen.
11. Henry, M. (2016). Woorden van Christus. Van Warven.
Reactie plaatsen
Reacties