Inleiding
Er zijn vele filosofen en therapeuten die oproepen tot zelfkennis. Boven de ingang van de tempel van Delphi stond al de bekende inscriptie Gnothi seauton: ken uzelf. In de oudheid hielp Socrates mensen als het ware bij de geboorte van een bepaalde vorm van zelfkennis die al in de persoon aanwezig was. Maar aan deze oproepen vanaf de oudheid tot op heden wordt niet altijd gehoor gegeven.
De praktijk van vandaag laat namelijk zien dat veel mensen aan zichzelf voorbijgaan. Grote aantallen mensen lopen vast in hun leven, wat zich bijvoorbeeld uit in burn-out of psychische en psychosomatische klachten. Met deze klachten gaat men uiteindelijk naar een psycholoog, coach of psychotherapeut om te onderzoeken wat er met zichzelf aan de hand is. Het liefst willen we op een zo gemakkelijk mogelijke manier van onze klachten worden afgeholpen. Niet voor niets slikken rond de een miljoen mensen in Nederland antidepressiva. Als dat helpt, hoef je niet noodzakelijk naar jezelf te kijken en te onderzoeken waar die depressie misschien naar verwijst.
Mede door het naturalistische mensbeeld worden psychische klachten regelmatig gereduceerd tot een ziekte waar je zelf weinig aan kunt doen. Het is een ziekte van het brein die met medicijnen behandeld kan worden. Met populaire wetenschappelijke publicaties als Wij zijn ons brein van Dick Swaab en Het slimme onbewuste van Ap Dijksterhuis kan de gedachte ontstaan dat het eigenlijk niet zo nuttig is om over jezelf na te denken, omdat je er als het ware toch geen invloed op hebt.
Antoine Mooij geeft aan dat in de psychiatrie en psychologie tegenwoordig nadruk wordt gelegd op het biologische, het gedragsmatige en het instrumentele, ten koste van datgene waarop de psychoanalyse de nadruk legt: innerlijkheid. De psychoanalyse is daardoor meer naar de achtergrond verschoven. Mooij schrijft:
“Deze benadering gaat ten koste van de sfeer van de subjectiviteit en leidt tot een zekere ontmanteling van menselijke verantwoordelijkheid. Psychische stoornis wordt vooral gezien als iets dat iemand overkomt als het gevolg van cerebrale disfunctie, genetische defecten en dergelijke waarvoor men geen verantwoordelijkheid kan dragen. Als er geen ruimte is voor verantwoordelijkheid is er ook geen plaats voor schuld. Het lichaam krijgt de schuld toegewezen”. [1]
De huidige maatschappij lijkt een bepaalde mate van zelfkennis dus niet erg te stimuleren. Maar als mensen al niet vanzelf geneigd zijn om zichzelf te onderzoeken, waarom is dat dan zo? Waarom moeten we worden opgeroepen tot zelfkennis? Waarom gaat het niet vanzelf? En wat bedoelen we eigenlijk met zelfkennis?
Het woord is tweedelig. Als we de woorden zelf en kennis afzonderlijk nemen, blijkt het al lastig om daar een eenduidige definitie van te geven. We hebben natuurlijk wel een idee van wat zelfkennis is. Het verwijst naar een innerlijke belevingswereld.
Joep Dohmen verwijst met zelfkennis naar het proces van zelfbegrip waarin iemand probeert zichzelf te interpreteren en te begrijpen met het oog op zelftransformatie. Zelfkennis is de reflectieve poging om jezelf in beheer te nemen. Het gaat daarbij ook om bewustwording achteraf, om zelfbegrip. [2]
Waarom doe je de dingen zoals je ze doet? Zelfkennis betekent inzicht krijgen in je gedrag, verlangens, behoeften, motivatie en voorkeuren. Over het algemeen verwijst zelfkennis naar kennis van de eigen gewaarwordingen, gedachten, overtuigingen en andere mentale toestanden.
Toch blijft het begrip zelfkennis bijzonder. Er zit iets tegenstrijdigs in. Het is vergelijkbaar met het beeld van een oog dat zichzelf wil zien en kennen. Hoe kan een oog zichzelf zien? Kan een kennissubject een object maken van zichzelf? Een object is immers een tegenover van een subject. Maar als we kennis nemen van onszelf, is er dan wel een tegenover?
Als je jezelf bent, zou je toch alles over jezelf moeten weten? Maar misschien zit in deze gedachte een veronderstelling die niet klopt. Misschien zijn we onszelf helemaal niet zoals we denken dat we zijn. Of misschien hebben we geen zelf dat eenvoudig als object gekend kan worden.
Daarmee komen allerlei vragen op. Wat voor soort kennis is zelfkennis eigenlijk? Hoe weet een mens of zijn kennis over zichzelf betrouwbaar is? Wat zit er in de mens dat hij nog niet kent? Wat bedoelen we wanneer we zeggen dat iemand goede zelfkennis heeft? Dat iemand weet wat hij wil? Maar hoe weet je dat iemand zichzelf daarin niet bedriegt? Misschien wil iemand iets, maar wordt dat verlangen mede bepaald door een onbewuste behoefte aan bijvoorbeeld erkenning. Hoe goed kent deze persoon zichzelf dan?
Een heleboel essentiële vragen kunnen in dit essay niet worden uitgewerkt. De vraag die hier centraal staat is daarom beperkter:
Waarom zijn veel mensen niet geneigd tot zelfkennis en wat blokkeert hen daarbij?
Je hoeft tegenwoordig niet vastbesloten te zijn om zelfreflectie te vermijden. De meesten van ons hebben een smartphone met apps in onze zak die voor constante stimulatie en afleiding zorgen. Netflix, sociale media, games en zelfs boeken bieden een gemakkelijke ontsnapping aan het alleen zijn met onszelf. Wanneer daar veel tijd aan wordt besteed, blijft er weinig ruimte over om stil te staan bij wat zich in jezelf afspeelt.
Uit ervaring weet ik dat veel mensen het helemaal niet prettig vinden om over zichzelf na te denken en vaak ook niet weten waarover ze zouden moeten nadenken. Je merkt weerstand. Ik heb hier geen zin in. Houd eens op met dat zweverige gedoe of dat navelstaren. Zijn we ergens bang voor? Weten we niet wat zelfreflectie inhoudt?
Hier komt Kierkegaard in beeld. Hij schrijft dat er geen mens leeft zonder een zekere mate van vertwijfeling:
“Zoals de arts wel moet zeggen dat er misschien geen enkele mens leeft die helemaal gezond is, zo zou je, als je de mens echt zou kennen, moeten zeggen dat er geen enkele mens leeft zonder dat hij toch een beetje vertwijfeld is zonder dat er toch diep in hem een onrust huist, een onvrede, een disharmonie, een angst voor een onbekend iets of voor iets waar hij niet eens kennis van durft te nemen, een angst voor een mogelijkheid van het bestaan of een angst voor zichzelf.” [3]
Misschien ligt hierin een belangrijke aanwijzing voor de vraag waarom mensen niet geneigd zijn tot zelfkennis. De diepste weerstand tegen zelfkennis kan zijn dat we in onze binnenwereld waarheden over onszelf tegenkomen die we liever niet onder ogen komen.
Kierkegaard: de vlucht voor jezelf
De gedachte van Kierkegaard is interessant voor het vraagstuk van zelfkennis. Als filosofie ook een levenskunst is, waarin zelfkennis een belangrijk uitgangspunt vormt, is het zinvol om stil te staan bij de blokkades die zelfkennis tegenhouden. De toegepast filosoof die anderen wil helpen om zichzelf beter te begrijpen, zal zich daarbij ook moeten afvragen welke drempels hij zelf tegenkomt. Wie blind is voor zijn eigen drempel, loopt het risico een ander niet werkelijk te kunnen helpen.
Kierkegaard komt met een mensbeeld naar voren waarin de mens voortdurend het risico loopt zichzelf kwijt te raken. Kierkegaard spreekt over demaskeren, verstoppertje spelen, anderen bedriegen, een schijnleven, verdeeldheid, het verliezen van persoonlijkheid, vluchten, verharding en leegte. [4]
Daarbij schrijft Kierkegaard dat er in ieder mens iets schuilt dat hem verhindert volledig transparant voor zichzelf te worden. Dat is een belangrijke gedachte. Er is blijkbaar niet alleen onwetendheid over het zelf; er is ook iets dat ervoor zorgt dat de mens zichzelf niet volledig wil of kan leren kennen.
De rode draad bij Kierkegaard is het verschil tussen leven in onwerkelijkheid en leven in werkelijkheid. Daarbij hangt werkelijk kiezen samen met zelfkennis. Je kunt pas werkelijk kiezen wanneer je je bewust bent van wat zich in jezelf afspeelt. Toch laten mensen zich gemakkelijk leiden door het esthetische leven: door uiterlijkheden, gewoontes, gemak, afleiding en wat de omgeving van hen vraagt. Zij leven als het ware van zichzelf weg.
Volgens Kierkegaard ligt de werkelijkheid niet alleen in datgene wat aan de buitenkant zichtbaar is. Het gaat juist om de innerlijkheid, om de beweging en dynamiek die van binnenuit opwelt. Het gevaar is dat deze beweging tot stilstand komt wanneer iemand opgaat in zelfgeschapen beelden en resultaten. We kunnen onszelf gaan vereenzelvigen met een bepaald beeld van wie we denken dat we zijn.
Van buitenaf kan iemand gelukkig en tevreden lijken, terwijl er van binnen sprake is van onrust of vertwijfeling. Kierkegaard gaat zelfs zo ver dat hij stelt dat ieder mens vertwijfeld is, ook wanneer hij zich daarvan niet bewust is. Vertwijfeling ontstaat wanneer de mens de waarde van zijn leven buiten zichzelf zoekt en zich laat leiden door het esthetische: door uiterlijkheden, gewoontes, gemakzucht en routine.
De mens die voor zichzelf op de vlucht is, leeft volgens Kierkegaard vertwijfeld. Maar juist van die vertwijfeling moet hij zich bewust worden. De vertwijfeling is daarmee niet alleen een probleem dat opgelost moet worden. Zij kan ook een doorgang zijn naar zelfkennis.
Dat maakt Kierkegaards gedachte interessant. Misschien is zelfkennis niet in de eerste plaats een kwestie van meer informatie over jezelf verzamelen. Misschien vraagt zelfkennis juist dat je bereid bent onder ogen te zien wat je liever niet wilt zien.
Het geneesmiddel tegen de vertwijfeling is bij Kierkegaard uiteindelijk overgave en geloof: gehoorzaamheid aan de scheppende beweging die aan het bestaan ten grondslag ligt. Dat is een tegendraadse richting, zeker in een tijd waarin autonomie en onafhankelijkheid belangrijke waarden zijn. Het idee dat er iets is waaraan we ons zouden moeten overgeven, roept gemakkelijk weerstand op.
Bij Kierkegaard gaat het echter niet eenvoudigweg om gehoorzaamheid aan plichten, wetten of religieuze systemen. Het gaat om een weg van innerlijkheid en om de vraag of we bereid zijn op zoek te gaan naar het eigenlijke zelf, met het vermoeden dat de grond van dat zelf het eeuwige is, als zin en fundament van ons bestaan. [5]
Het woord God, Eeuwige of Fundament kan allerlei associaties en weerstanden oproepen. Daarom is het interessant om te kijken naar een denker die op een andere manier spreekt over deze innerlijke werkelijkheid: Michel Henry.
Michel Henry: het zelf als gevoelde werkelijkheid
Michel Henry is, net als Kierkegaard, een christelijk denker. In zijn denken staat God voor het Leven of de essentie. Essentie verwijst naar de basis, de bron, de oorsprong en de toestand van de mogelijkheid.
Het leven waar Henry over spreekt is geen leven in biologische zin, gedefinieerd door objectieve en uiterlijke eigenschappen. Het gaat om fenomenologisch leven: een radicaal immanent leven dat de kracht in zich draagt om zich aan zichzelf te manifesteren. Het leven openbaart zichzelf op ieder moment.
Deze zelfopenbaring vindt niet plaats doordat we onszelf van buitenaf bekijken. Het leven openbaart zich in het voelen van zichzelf, in het ervaren van de eigen innerlijke werkelijkheid, affectief en van binnenuit. [6]
Hier ontstaat een interessante verbinding met het vraagstuk van zelfkennis. Als onze diepste werkelijkheid niet in de eerste plaats een object is dat we van buitenaf kunnen bekijken, dan is zelfkennis ook niet simpelweg een kwestie van onszelf analyseren. Misschien moeten we niet alleen over onszelf nadenken, maar ook leren voelen wat zich in onszelf openbaart.
Daarmee krijgt het begrip zelfkennis een andere betekenis. Het zelf is niet uitsluitend het beeld dat ik van mezelf heb. Het is ook datgene wat zich in mij voordoet voordat ik er een beeld of oordeel van maak.
Blokkades tegen zelfkennis
Kierkegaard onderscheidt in De ziekte tot de dood verschillende vormen van vertwijfeling. Deze kunnen worden gelezen als verschillende manieren waarop een mens van zichzelf verwijderd kan raken. Ze laten ook zien waarom zelfkennis zo moeilijk kan zijn.
1. Vertwijfelde onwetendheid
Anti-Climacus, het pseudoniem waaronder Kierkegaard De ziekte tot de dood schreef, onderscheidt verschillende gradaties van vertwijfeling. Zo kan een mens vertwijfeld zijn over de vertwijfeling: hij is zich helemaal niet bewust van zijn eigen vertwijfeling. Omdat de vertwijfeling een ziekte van de geest is, is hij zich in dat geval ook niet werkelijk bewust van zijn persoonlijke zelf.
Een dergelijke onwetendheid kan te maken hebben met aanpassing aan de omgeving. Meelopen met de meute. Alles slikken zonder te proeven. Het zelf wordt gezocht in wat sociaal zichtbaar en aanvaardbaar is. Je leeft dan niet vanuit wat je zelf voelt, maar vanuit wat er van je wordt verwacht.
Wanneer iemand zich niet bewust is van de verschillende kanten in zichzelf, kan hij zichzelf gaan zien als een afgerond geheel. We vereenzelvigen ons dan met een verzameling kenbare objecten: ons lichaam, ons denken, onze persoonlijkheid. Vervolgens kunnen we ons hele leven bezig zijn om dat beeld te verdedigen, te beschermen en in stand te houden.
De blokkade zit dan niet alleen in het feit dat we onszelf onvoldoende kennen. We weten ook niet dat we onszelf onvoldoende kennen.
Dat maakt deze vorm van vertwijfeling bijzonder hardnekkig. Er is immers geen aanleiding om iets te onderzoeken wanneer je ervan uitgaat dat je jezelf al kent.
2. Vertwijfeld niet zichzelf willen zijn
Wanneer we beginnen te beseffen dat het beeld dat we van onszelf hebben niet samenvalt met wie we zijn, kan een andere vorm van vertwijfeling ontstaan. Zelfwording kan volgens Kierkegaard niet zonder vertwijfeling. Er begint een omkering.
Om terug te komen op Dohmens begrip van zelfkennis betekent dit ook een begin van zelftransformatie. Daarvoor moeten we bereid zijn een geobjectiveerd en beperkt zelfbeeld los te laten. Een eenzijdig beeld van onszelf is immers maar een beperkte waarheid.
Juist daar ontstaat weerstand.
De psychoanalyse kan helpen om deze weerstand te begrijpen. Lacan spreekt over la passion de l’ignorance, de passie van de onwetendheid: het Ik wil liever niets weten van de interne dynamische spanningen die het psychisme beroeren. [7 lesnotitie 3]
Ook de psychoanalyse benadrukt het onherleidbare karakter van disharmonie. De mens is geen volledig transparant en harmonisch individu, maar een wezen dat met een niet te elimineren verdeeldheid kampt. Hij wordt weliswaar mede bepaald door wetmatigheden, maar valt daar niet volledig mee samen. Er blijft een marge die tegelijk vrijheid en onbehagen mogelijk maakt. [7 lesnotitie 1]
Dat is belangrijk voor zelfkennis. We willen onszelf graag zien als een samenhangend en logisch geheel. Maar zodra we ontdekken dat er tegenstrijdigheden in onszelf bestaan, ontstaat ongemak.
Zelfkennis vraagt daarom niet alleen om de bereidheid meer over jezelf te weten te komen. Het vraagt ook om de bereidheid een beeld van jezelf los te laten wanneer de werkelijkheid daar niet meer mee overeenkomt.
Vaak betekent dit dat je bereid moet zijn jezelf in een minder positief daglicht te zien.
De omkering waar Kierkegaard over spreekt, gaat bovendien gepaard met lijden. Wanneer we ons werkelijk met onszelf confronteren, kunnen we botsen met de kracht en absoluutheid van onze eigen idealen tegenover de werkelijkheid van ons bestaan. [8]
We ontdekken misschien dat we bepaalde verlangens, eigenschappen of neigingen liever niet willen erkennen. Juist wat we proberen weg te drukken, kan daardoor een schaduwkant van onszelf worden.
Ken Wilber beschrijft dergelijke verschijnselen als facetten van de schaduw. Volgens hem kunnen bijvoorbeeld depressiviteit, bezorgdheid, verveling en angst samenhangen met emoties, neigingen of kenmerken die we niet als onderdeel van onszelf willen erkennen. Hij benadrukt daarom het belang van bewustwording en acceptatie. [9]
Hier raakt Wilber aan een gedachte die ook bij Michel Henry interessant wordt: misschien begint zelfopenbaring juist daar waar we bereid zijn te voelen wat zich daadwerkelijk in onszelf voordoet.
3. Vertwijfeld jezelf willen zijn
Er is echter nog een derde mogelijkheid. We kunnen wel beseffen dat ons bestaande zelfbeeld tekortschiet, maar vervolgens alsnog weigeren te luisteren naar wat zich in onszelf aandient.
Niet voelen en niet luisteren naar het innerlijk weten kan daarmee een belangrijke blokkade voor zelfkennis zijn.
Volgens Wilber is ons bewustzijn sterk gericht op het hoofd: ik ben mijn hoofd, maar ik bezit mijn lichaam. Het lichaam wordt daarmee een object. Het wordt iets wat we hebben in plaats van iets wat we zijn. Hierdoor ontstaat een breuk tussen lichaam en psyche en worden lichamelijke gewaarwordingen en gevoelens gemakkelijk buitengesloten. [10]
Juist daarin kan een belangrijke blokkade liggen. Wat uitgesloten wordt, verdwijnt immers niet noodzakelijk. Het kan zich op een andere manier blijven aandienen.
Voor echte zelfkennis is daarom de moed nodig om opnieuw contact te maken met het lichaam en met de gevoelswereld. Niet alleen luisteren naar wat we denken dat we zijn, maar ook naar wat zich in onszelf openbaart en soms tegenstrijdig is met ons geobjectiveerde zelfbeeld.
Dat kan bedreigend zijn. We houden immers graag vast aan wat we over onszelf denken te weten. Maar juist wanneer we bereid zijn dat beeld tijdelijk los te laten, ontstaat ruimte voor iets anders.
Misschien is dat de kern van zelfkennis: niet ontdekken dat je eindelijk precies weet wie je bent, maar steeds beter leren luisteren naar wat zich in jezelf aandient.
Naarmate we groeien in zelfbewustzijn, kunnen we meer onszelf worden in plaats van een gecreëerd beeld van onszelf. We worden daardoor ook transparanter en kwetsbaarder. Dat is geen eindpunt waarop alle tegenstrijdigheden zijn opgelost. Het is eerder een beweging waarin we minder van onszelf hoeven weg te lopen.
Niet willen voelen is daarom een enorme blokkade voor zelfkennis. Wie alleen maar in zijn hoofd zit, kan veel over zichzelf zeggen zonder dat wat hij zegt werkelijk doorleefd is. Wanneer je naar het gevoel vraagt, kan dat juist bedreigend worden. Misschien omdat het gevoel ons confronteert met iets wat niet gemakkelijk in woorden of concepten past.
Hier raakt het denken van Kierkegaard opnieuw aan dat van Henry. Bij Kierkegaard gaat het om de beweging door de vertwijfeling heen naar het zelf. Bij Henry gaat het om een leven dat zichzelf niet eerst als object hoeft te leren kennen, maar zichzelf onmiddellijk ervaart in het voelen.
Ik zou daarom niet willen zeggen dat Kierkegaard en Henry hetzelfde bedoelen. Daarvoor verschillen hun filosofieën te veel. Wel ontstaat er een interessante verwantschap: bij beiden ligt de werkelijkheid van het zelf niet in een uiterlijk of objectief beeld, maar in een innerlijke verhouding tot het leven zelf.
Zelfkennis betekent dan niet alleen: weten wie ik ben. Het betekent ook: bereid zijn te ervaren wat er in mij leeft.
Kierkegaards gedachte krijgt daarmee een bijzondere betekenis. De mens moet door de vertwijfeling heen naar het zelf toe. De vertwijfeling is niet alleen datgene waarvan we verlost moeten worden; zij kan ons juist laten zien waar we van onszelf verwijderd zijn.
Daarom eindigt Kierkegaard in De ziekte tot de dood met een gedachte die de paradox van zelfkennis scherp verwoordt:
“Om vertwijfeld zichzelf te willen zijn, moet er bewustzijn van een oneindig zelf zijn. Dat oneindige zelf is intussen slechts de meest abstracte vorm, de meest abstracte mogelijkheid van het zelf. En dat zelf wil hij vertwijfeld zijn, het zelf losrukkend van elke verhouding tot een macht die het heeft gesteld, of het losrukkend van de voorstelling dat een dergelijke macht bestaat. [11]
Misschien ligt hier ook het antwoord op de vraag waarmee dit essay begon. Waarom zijn we niet vanzelf geneigd tot zelfkennis?
Omdat zelfkennis niet alleen vraagt om iets nieuws over onszelf te ontdekken. Ze vraagt ons ook iets los te laten: het beeld dat we al van onszelf hebben, de verhalen waarmee we onszelf begrijpen en de manieren waarop we ons tegen bepaalde ervaringen beschermen.
Misschien is het juist daarom zo moeilijk om onszelf werkelijk te leren kennen.
Niet omdat het zelf verborgen ligt en we alleen maar diep genoeg hoeven te zoeken, maar omdat we onszelf onderweg ook kunnen tegenkomen op een manier die we liever niet hadden willen zien.
Zelfkennis vraagt dan niet in de eerste plaats om meer naar onszelf te kijken.
Misschien vraagt zij vooral om niet langer van onszelf weg te kijken. Niet bepalen wie ik moet zijn, maar leren verdragen en verstaan wie ik daadwerkelijk ben.
Voetnoten en bronnen
[1] Mooij, A. Psychoanalytisch gedachtegoed: Een modern perspectief. Boom, 2002.
[2] Dohmen, J. Iemand zijn: filosofie van de persoonlijke vorming. Ambo | Anthos, 2022, blz. 400-401.
[3] Kierkegaard, S. De ziekte tot de dood: Anti Climacus. Damon, Eindhoven, 2021. blz.35.
[4] Kierkegaard, S. Of/Of. Boom, Amsterdam, 2000. blz 631 e.v.
[5] Gebruikte bron: lezing door filosoof Welmoed Vlieger.
http://www.westfrieseekklesia.nl/uploads/klant496/files/20200202_Vlieger%20Welmoed.pdf
[6] https://nl.frwiki.wiki/wiki/Michel_Henry
[7] Modellen in de Psychoanalyse – lesnotities 3 en 1
https://pevpat-ugent.be/lessen-modellen-in-de-psychoanalyse/
[8] Visser, A. De mens is geest: Kierkegaards humanisme. Damon, Eindhoven, 2019, blz. 197.
[9] Wilber, K. Zonder grenzen. Karnak, Amsterdam, 2006.
[10] Wilber, K. Zonder grenzen. Karnak, Amsterdam, 2006.
[11] Kierkegaard, S. De ziekte tot de dood: Anti Climacus. Damon, Eindhoven, 2021. blz 84.
Reactie plaatsen
Reacties